De Stentor publiceerde op 28 mei een artikel waarin mijn afscheidsrede aan de raad wordt geduid. In die duiding herken ik mij niet. Hoewel gebrek aan herkenning van duiding (en feiten) ook in twee voorgaande publicaties in de Stentor al het geval was, voel ik in dit geval de behoefte om publiekelijk te reageren.

Op mijn toespraak heb ik bijzonder veel positieve reacties gehad, zowel van mensen die aanwezig waren als die via internet hebben meegeluisterd. In die reacties was bewondering voor de verwoording van een rode lijn in de cultuur van Oldebroek, voor de metafoor van werken onder druk en verzoening, en voor de eigenheid die ik in mijn verhaal heb gelegd.

Kijk HIER voor foto's van de afscheidsreceptie

Mijn zorg is dat mijn dank aan Oldebroeker samenleving en bestuur en mijn optimisme over de toekomst van zowel de gemeente als mijzelf voor de lezer van de Stentor niet meer herkenbaar is. Ik heb geen behoefte aan een polemiek met iemand die zijn inkt per vat inkoopt, maar voor diegene die behoefte heeft om mijn afscheidsrede te lezen heb ik dat hieronder opgenomen.

Dit 'nawoord' geeft me ook de mogelijkheid iedereen te bedanken voor de hartelijke gelukwensen in de aanloop naar en bij mijn afscheid. Die waren even
hartverwarmend als ik het contact en de samenwerking de afgelopen jaren heb ervaren. De komende tijd ga ik de opgedane ervaring verder vruchtbaar maken in
een andere rol of in een andere gemeente waar behoefte is aan de combinatie van besturen en ondernemen. Daar zie ik met hoge verwachtingen naar uit.

Carlo van Dijk

Afscheid gemeenteraad Oldebroek (27 mei 2014)

Dank voor het woord, voorzitter!

Bij dankwoorden en bespiegelingen van dit type zijn er altijd twee
zekerheden:

1. het is altijd te kort om iedereen naar gerechtvaardigde proportie te bedanken

2. de meeste luisteraars vinden het altijd te lang duren Ik zal het houden bij twee waarnemingen uit de afgelopen twee jaar.

Tweemens

De eerste is deze:

De eerste veertig dagen van mijn wethouderschap heb ik gebruikt om allerlei informatie op te zuigen in de gesprekken die ik had met mensen en de documenten dieik maar kon vinden. Daarin werden me twee dingen duidelijk: Ga als wethouder vooral niets nieuws verzinnen, er is al genoeg voorhanden om te ordenen en op te ruimen. Ik laat het voor nu even bij die constatering.

In Oldebroek wonen 'tweemensen' (één woord).

In de eerste plaats komt dat tweemens zijn, een reformatorische uitdrukking om de toestand van gebrokenheid en perspectief aan te duiden tot uitdrukking in
het orthodoxe karakter van de gemeente.

In de tweede plaats heb ik de tweemens-karakterisering ook verbonden aan de scheiding van de A28 door de gemeente. Vaak is mij bezworen dat Wezepers toch
echt anders zijn dan Oldebroekers en Oosterwoldenaren.

In de derde plaats heb ik bestuurlijk ervaren dat Oldebroek aan de ene kant voluit een gemeente is waar Veluws bloed door de aderen vloeit, maar de oriëntatie op Zwolle heel sterk is als het gaat om werk, opleiding en zorg.

In de vierde plaats 'tweemens' omdat kenmerkend aan de bestuurlijke cultuur op de Veluwe is dat men vaak werkt met tijdelijk-werkbare-oplossingen, T-W-O-tjes, die als je de letters achter elkaar leest het Engelse woord 'twee' aangeven.

Tweemensen zijn we ook als raad en college om elkaar vanuit een duale rolverdeling de ruimte te geven en te laten.

In de zesde plaats, en dat is iets wat ik pas laat heb ontdekt, zijn wij als raad en college 'tweemensen' omdat het hier in deze raadszaal soms lijkt alsof we in een parallelle wereld zijn beland ten opzichte van de samenleving, zonder dat die twee met elkaar in verband staan. Eigenlijk zijn alleen kunstgras, windmolens en WHC er in geslaagd om de samenleving daadwerkelijk present te laten zijn in deze raadszaal en pas recent zie ik (overigens aansprekende) voorbeelden hoe wij er als gemeente in gaan slagen als gemeente op een gepaste en relevante manier present te zijn in de samenleving.

En in de zevende plaats ben ik natuurlijk ook zelf een tweemens. Vanwege de bandbreedte in mijn levenshouding waarin het leven aan de ene kant een spel is waarin alles relatief is en aan de andere kant een diepgeworteld geloof dat God een toekomst heeft voor deze aarde waarop wij nu leven, zodat àlles wat we doen en laten betekenis heeft. En ook ben ik zelf een tweemens omdat tegenover de hoeveelheid verantwoordelijkheden waar ik met zeer veel plezier aan heb gewerkt, taken staan waar ik dat minder beleefde. Van de 100 km2 die Oldebroek telt zijn me er vele zeer lief geworden, waaronder de plek waar ik met mijn gezin woon. Het minst misschien wel juist die ene m2 waarop ik nu sta.

Nehemia

De tweede waarneming hangt samen met mijn allereerste woorden in deze raad. Bij mijn benoeming heb ik aangegeven dat ik mij wel een beetje een Nehemia voelde: een troffel in de ene hand en een zwaard in de andere. Er moet iets worden gebouwd en er zijn mogelijkheden om dat te doen, maar er is ook de wetenschap dat het niet zo zal worden als het in de beleving vroeger was én dat er vele 'vijanden' (alles tussen aanhalingstekens') loeren die geen kans voor bij laten gaan om wat wordt opgebouwd tegen te houden of af te breken.

Achteraf is die vergelijking zo gek nog niet geweest. Alhoewel ik soms dacht: het heeft ook wel iets weg van het bijbelboek Job. Dat je iemand je slecht nieuws vertelde en dacht: dat is vervelend, maar het kan erger. En dat er dan iemand kwam die zei: inderdaad, kijk hier maar eens na. En dat je dan dacht: oef, kan het nog erger? En dat er dan iemand kwam: ja, inderdaad! Je raad nooit wat er gebeurd is?!

Maar toch houd ik het bij Nehemia. Samen met vele zeer actieve en betrokken mensen in de samenleving, met de raad, met u als burgemeester, met Nicolet Hoorn, Izaäk de Muijnk en Erris Zandbergen, Bert Brand en de ambtelijke organisatie is er hard gewerkt.

...En tegengewerkt! Vooral door het Rijk, door existentiële taken op het gebied van werk, zorg en jeugd op financieel en procedureel onverantwoorde manier bij gemeenten over de schutting te kieperen. Die knipperlichtbeleid voert als het gaat om schaalvergroting. En die Oldebroek voor Mekaar in de weg zit met haar enorme regeldrift.

Maar ook in deze raadszaal; wij deden soms meer aan politiek dan aan bestuur.

Nieuwe tijd

Het is een goede zaak dat aan het Nehemia-tijdperk een einde komt. Meer dan aan een bouwer die stenen stapelt, waarbij de nodige bestuurlijke G-krachten komen kijken, is er volgens mij nu behoefte aan een Ezra. Een priester. Iemand die verzoent, en verbindingen herstelt. Het ligt dan in de vorm waarin we nu bij elkaar zijn voor de hand om te denken aan de verzoening tussen overheid en samenleving, of tussen fracties binnen de raad.

En dat is natuurlijk goed, maar specifiek doel ik ook op de verzoeningen van mensen met zichzelf. Ik heb wel echt geleden aan (en me ook verbaasd over) de twisten binnen families, aantallen zelfdodingen, aan de hárdheid van oordelen die mensen over elkaar hebben. Daar komt dus die tweemens toch weer de hoek om kijken. Dus niet alleen bestuurlijk zijn Ezra's gewenst, mijn gebed is dat er ook in de samenleving Ezra's zullen opstaan. Wat waar verzoening is, is ook meer vreugde.

Met een nieuw tijdperk is het oude niet overbodig geworden. Als ik terugkijk op mijn periode in Oldebroek dan doe ik dat met heel veel dankbaarheid en met een grote mate van voldoening. Oldebroek is de gemeente geweest die mij de kans heeft gegeven het experiment wethouderschap uit te voeren. Velen van u hebben daarin een rol gespeeld en daarom wil ik ook de raad, net als de burgemeester, wethouders en de organisatie en al die lieve en betrokken mensen vanuit de samenleving heel hartelijk voor bedanken. Dankzij u heb ik mij geen moment hoeven vervelen!

Maar: het gaat om de toekomst en daarin ligt een rol voor de nieuwe wethouders. Hen wil ik dan ook veel wijsheid en alle goeds toewensen. Straks ga ik waarschijnlijk hier of daar staan en ik vind het helemaal niet erg als u me dan nog even een hand komt geven om me te bedanken.

Maar met uw bedankjes kan ik niet voor God verschijnen.

Daarom geef ik aan het einde van mijn werk hier nu ook alles wat was en wat ontbrak weer terug aan Hem en zijn mijn laatste woorden in deze wethoudersperiode de woorden van de psalm die ik als kind als allereerste geleerd heb:

"U alleen, U loven wij

Ja, wij loven U, O Heer!

Want Uw Naam zo rijk van eer

Is tot onze vréugd nabíj"

Om een reactie te geven moet u ingelogd zijn op deze website.

Reacties mogelijk gemaakt door CComment' target='_blank'>CComment