Geachte commissieleden, wethouders en andere aanwezigen. Vanavond wordt de problematiek omtrent het recreatiepark Mulligen besproken, zijnde een vervolg op hetgeen in de commissie op 5 april jongstleden aan de orde is geweest. Het is al weer jaren geleden was dat ik genoopt was om voor het laatst in de commissie in te spreken, maar kennelijk herleven oude tijden.

De gemeente worstelt al vele jaren met de problematiek om en hoe permanente bewoning mogelijk te maken, een proces, dat dankzij de provincie nog wel enige tijd zal duren. Niettemin wil ik van de gelegenheid gebruik maken om enkele aspecten aan te roeren.

In de eerste plaats heeft de gemeente al reeds vergunning verleend tot permanente bewoning van een tweetal recreatiewoningen, waarvan er één, die aan de Mheneweg Zuid 15, een vergunning heeft gekregen voor de bouw van een villa, annex schuur. Saillant detail daarbij is dat de bewoners van dit pand volgens de mij beschikbare informatie beiden werkzaam zijn bij de gemeente Oldebroek. Opvallend is ook dat de Raad van State al in 2005 bevestigd heeft dat op dit pand geen permanente bewoning is toegestaan.

Los van de ontstane precedentwerking vraag ik mij af of hier sprake is van de alouds bekende “ons-kent-ons” mentaliteit, die nog niet zo lang geleden hoogtij vierde in onze gemeente en waartegen de door mij september 2009 opgerichte en sinds 2014 in het college vertegenwoordigde politieke vereniging mordicus tegen gekant was en is. Ik sprak toen van Italiaanse toestanden. Wie kent niet de gevleugelde woorden van een oud-wethouder van ruimtelijke ordening “gelijke monniken, maar geen gelijke kappen”? Ik schaam mij ervoor om nu te moeten constateren dat het ABO niet is gelukt de door haar zo verfoeide vermeende vriendjespolitiek uit ons dorp te verbannen.

Ik zou mij zomaar kunnen voorstellen dat de raad een onafhankelijke commissie onderzoek laat doen hoe één en ander heeft kunnen gebeuren en of de toegepaste criteria tot verlening van de benodigde omgevingsvergunningen op correcte gronden zijn afgegeven, en ook of hier mogelijkerwijs politieke consequenties aan verbonden dienen te worden.

Dit in navolging van hetgeen in de Tweede Kamer gebruikelijk is bij dit soort voorvallen. Kortom, als het geen vriendjespolitiek is hoeft niemand bezwaar te hebben tegen een dergelijk  onderzoek.

In de zaak waarvoor ik nu spreek heeft de bezwaaradvies-commissie al in mei 2010 geoordeeld dat permanente bewoning vanwege bijzondere omstandigheden toegestaan diende te worden.

Het toenmalig college heeft dit advies toentertijd niet overgenomen. Sinds 2015 ben ik, tot nu toe vruchteloos, in gesprek met het college om één en ander alsnog gerealiseerd te krijgen, mede ook gezien het voornemen van betreffende instantie om permanente bewoning op Mulligen toe te staan. Nadat zelfs in gebreke stellen van de gemeente niet tot enig zichtbaar resultaat heeft geleid is in arren moede begin dit jaar de kwestie maar voorgelegd aan de bestuursrechter te Arnhem. De zitting vindt 1 augustus aanstaande plaats.

Verder is mij nog ter ore gekomen dat een tweede recreatiewoning een vergunning tot permanente bewoning heeft gekregen.

Het betreft volgens zeggen de woning aan de Oude Dijk 23 R 1.

Voor geen van beide recreatiewoningen is overigens een vereveningsbijdrage in rekening gebracht. Ook in dit geval kan ik mij niet indenken dat er geen sprake is van precedentwerking voor overige bewoners van Mulligen.

Tot slot wil ik bij deze de vraag stellen, waartoe ik vorige week woensdag niet de gelegenheid kreeg (omdat het begrip “allerlaatste vraag” helaas niet in het vocabulaire van de voorzitter voorkwam): welke aanpassingen brengt de gemeente aan in de structuurvisie zodat aan de bezwaren van de provincie tegemoet gekomen wordt?  Ik ben benieuwd welk konijn er uit de hoge hoed getoverd wordt. En zo ja, wanneer maakt de raad dan kennis met dit troeteldier?

Jan B. Kaiser

17 mei 2017