Oud? Wat is oud? Wie is oud? Het is waar: de gemiddelde levensduur stijgt, en het aantal ouderen neemt sterk toe. Socio’s spreken dan van vergrijzing, maar ik vind verzilvering een veel betere aanduiding. Want ware kracht ligt vooral bij ouderen, en dat wil ik bij dezen becolumneren. Over ouderdom wordt vaak eenzijdig in zorgelijke zin gesproken. Nog geen honderd jaar geleden probeerden mensen er ouder uit te zien in kleding en uitstraling, om eerder als volwassene te worden benaderd. Vandaag wringen mensen zich in allerlei bochten om er toch vooral jong uit te zien. Bejaard zijn wordt beschouwd als iets dat je zover mogelijk van je af moet houden, moet bestrijden zelfs. Maar een bekend schrijver zei ooit terecht dat we allemaal bejaard zijn, hoewel in een verschillende fase van ons leven.

Oudere mensen hebben hun aandeel aan de maatschappij geleverd, en lessen geleerd. Zij hoeven niet meer te presteren, geen pretenties op te houden. Zij kennen niet de terreur van een apparaatje in de broekzak dat hen met piepjes dwingt steeds te kijken welk nieuw bericht er nu weer door iemand ongevraagd is verzonden. Zij weten wat er te koop is, en genieten nu extra van de dingen waarom het echt gaat in het leven. Daarover bestaan veel misverstanden. Daarom was ik blij toen een vriend (een jonkie nog) me een artikeltje doorstuurde waarin deze misverstanden worden rechtgezet. Het was in de ik-vorm geschreven, en ik selecteer een paar dingen. De schrijver noemt zich Seenager, een samentrekking van senior en teenager. “Ik heb alles wat ik wilde als teenager, alleen 50 jaar later. Ik hoef niet meer naar school of te werken, en krijg elke maand toch inkomen. Ik ga mijn eigen weg, voor mij geldt geen avondklok. Ik heb een rijbewijs en eigen auto, en met mijn persoonsbewijs kan ik gewoon theaters, restaurants en een bar bezoeken. De mensen met wie ik omga worden niet zwanger, en ik heb geen acne. Het leven is geweldig!”

Hij vervolgt: De hersens van oudere mensen werken trager, maar dat komt gewoon doordat ze zoveel weten. Mensen gaan op leeftijd mentaal niet achteruit, het neemt alleen meer tijd om hun informatie uit de grijze massa te krijgen omdat die zo vol zit. Dat zie je bij computers als ze te vol zijn, en bij mensen dus net zo. Onderzoekers hebben aangetoond dat onze hersens niet zwakker worden, dat er geen sprake is van cognitieve teruggang, maar het duurt gewoon even omdat er zo enorm veel informatie ligt opgeslagen. Het komt voor dat oudere mensen even de kamer uitgaan naar (bijvoorbeeld) de keuken, en als ze daar zijn zich afvragen waarvoor ze daar kwamen. Dat is geen geheugenprobleem, nee het is de natuurlijke manier voor oudere mensen om aan hersengymnastiek te doen. De schrijver besluit met “Ik zou dit aan veel meer vrienden moeten sturen, maar ik kan me hun namen niet herinneren”. Bij dezen. Geef het door aan uw vrienden, misschien zijn dat ook wel die van mij.

Jonge mensen associëren ouderdom vaak met aftakelen, niet beseffend dat het ook over henzelf gaat. Ter illustratie het volgende kleine verhaal. Het huis had een uitstraling alsof iemand al heel lang geleden voor het laatst het licht had uitgedaan. Ik trok aarzelend aan de porseleinen knop van de antieke deurbel, en moest het vierkante staafje ver naar buiten trekken voordat er ergens een hol geklingel was te horen. Stilte. Ik wachtte een poos en trok nog een keer aan het mechaniek. Pas na lange tijd klonk vaag het geluid van piepende deuren. In de eikenhouten voordeur die smachtte naar een likje verf zat een klein door vuil vertroebeld raampje. Met gene ging ik op mijn tenen staan en keek naar binnen. Vaag zag ik een gestalte naar me toe schuifelen, sloffend achter een roestige rollator. Het silhouet doemde op van een magere, kromme man, met bevende handen, knikkende knieën en zwikkende enkels. Toen het raampje openging stapte ik verschrikt achteruit. Onder een kalende kruin keken tranende ogen met een begin van staar me aan. De tandeloze mond onder de grauwe wallen ging open en een krakende stem vroeg: “Wie bent u?” Ik noemde mijn naam en zei waarvoor ik kwam. “Kunt u dat nog een keer zeggen? Ik ben vrijwel doof” was zijn reactie. Ik voldeed aan zijn verzoek. Het raampje ging weer dicht. Ik hoorde hees gerochel, en het draaien van een sleutel in het slot. Tergend langzaam ging de deur open, en ik schrok. De man die daar stond was ik zelf.

(Fragment uit een nog niet gepubliceerd boek).

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)