Bewust ervoor kiezen niet langer te willen leven is een ingrijpende beslissing. Op de dag dat ik dit schrijf lees ik dat het de Week van de Euthanasie is. We kenden al het rapport van de Commissie Schnabel die aangaf dat de wetgeving voldoet, en er dus in die zin geen nadere regelingen nodig zijn. Daarnaast kenden we in onze regio al het verdrietige feit van een relatief groot aantal zelfdodingen onder jongeren. Er is in Nederland een trend van toename, verruiming, en op steeds jongere leeftijd. Aan het onderwerp zitten heel veel kanten, situaties verschillen enorm, vergeef me dus bij voorbaat enige eenzijdigheid en te grote stappen. Want eigenlijk gaat het me om één specifiek aspect.

Ik focus niet op de vraag onder welke omstandigheden euthanasie wel of niet mogelijk zou moeten zijn. Die vraag is natuurlijk belangrijk, evenals de vraag of een overheid hier nog geroepen is tot een moreel oordeel, dan wel - zoals sommigen bepleiten - of dit een persoonlijk recht behoort te zijn van elk individu, jong of oud. Vaak gaat het om de laatste, terminale fase van leven. De medische kant over hospices, palliatieve zorg e.d. laat ik rusten. Want het gaat me om situaties waarin iemand nog wel degelijk zou kunnen voortleven, maar zelf om andere dan fatale medische redenen toch uit het leven wil stappen. De vraag is daarbij waar die wens ontstaat. Waarom wil iemand dat, waardoor wordt dat veroorzaakt? In de vele beschouwingen die de laatste weken de media vullen las ik onder andere dat het besluit tot een zelfgekozen levenseinde niet per definitie is gebaseerd op een verstandelijke afweging van plussen en minnen. Nogmaals: het is een complex onderwerp.

Er zijn mensen die zeggen te lijden aan het leven. Mensen die zich uitgerangeerd voelen, die het gevoel hebben niet meer mee te tellen, niet meer gezien te worden. Als je het gevoel hebt dat de maatschappij, of soms zelfs je eigen familie je kan missen, dan is de vreugde weg, en verlies je de zin in het leven. Een volgende stap kan zijn dat je de grip op je eigen bestaan verliest. Dit verschijnsel komt natuurlijk ook voor in andere situaties dan waarin euthanasie of zelfdoding wordt overwogen. Veel mensen kennen uit eigen ervaring of uit die van anderen wel het steeds maar moeten incasseren van tegenslagen, bijvoorbeeld veel ziekte of sterfgevallen. Maar evengoed als je je baan kwijt raakt, je partner je in de steek laat, de groep je laat vallen enzovoorts. Alle vormen van nog haalbare afleidingen (nog een keer op vakantie gaan, naar een restaurant, een voetbalwedstrijd of concert) lossen dat niet op. Je kunt vastlopen in een fuik van eenzaamheid, uitzichtloosheid, zinloosheid.

En de omgeving, verwanten, vrienden? Op de klank af lijkt het misschien een zijlijn, maar ik las dat familieruzies soms een obstakel zijn voor mantelzorg (onder andere) omdat in 4 op de 10 situaties de verhouding tussen ouders en volwassen kinderen niet harmonieus is. Het rapport-Schnabel wijst ook op een relatie met de omgeving. En hier raken we denk ik een essentiële kant van het probleem. Wij mensen zijn toch vooral zoals we dat noemen gemeenschapswezens. We willen ergens bij horen, gewaardeerd worden, een plek hebben, voor vol worden aangezien. Maar als er met niemand nog een vorm van echte, inhoudelijke wederkerigheid is, dan wordt het bestaan eenzaam. Dat kan ooit in een lichte vorm zijn begonnen. In programma’s als het Familiediner wordt alles uit de kast getrokken om mensen weer met elkaar in contact te brengen. Soms zouden ze dat zelf op een hele simpele manier hebben kunnen doen, maar het gebeurde niet.

Het lijkt op een faillissement van de omgeving. Een moraal bij dit verhaal zou hier kunnen beginnen. Want aan mensen laten merken dat ze waardevol zijn is beter dan hen erin bevestigen dat ze gemist kunnen worden. Investeren in een inhoudsvolle relatie heeft voorrang op het begeleiden naar een zelfgekozen levenseinde. Het vormen van een echt netwerk, sterk en inhoudelijk, is het beste middel in de strijd tegen individuele tragedies. Er komen vragen naar ons toe: hoeveel oog hebben we voor elkaar? Draag ik bij aan zingeving voor een ander? Hele moeilijke vragen, zo leert de ervaring. Je weet soms niet van een collega hoe die werkelijk in zijn of haar vel zit. Of die buurman, dat Facebookcontact, die jongen naast je op de tribune tijdens de wedstrijd. En als we al vermoeden dat er iets niet lekker zit schrikken we er vaak voor terug daarnaar te vragen; want ja, wat haal je je misschien aan? We schromen erop af te gaan. Achteraf zeg je dan dingen als “ik vroeg me al af”, of “altijd al gedacht er is vast iets met die jongen”. maar dan is het te laat. Wat rest is het schuldige gevoel van “had ik toen toch maar eens…” enz.

In Nederland vinden elk jaar bijna 6000 gevallen van euthanasie plaats. Zouden we dat omlaag kunnen brengen door iets zuiniger op elkaar te zijn?

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)