U en ik wonen niet in Amerika. Maar toch: zouden ook wij steeds meer zijn gaan lachen op foto’s? De media geven de resultaten van een onderzoek waarbij werd gekeken naar de gezichtsuitdrukking van de Amerikaanse Highschooljongeren. Er werden 37.000 pasfoto’s geanalyseerd over de periode 1900 tot vandaag. Een computer maakte een ‘gemiddeld’ gezicht. En zo weten we dat niet zozeer haardracht, brillen, gelaatsuitdrukkingen de aandacht trekken, maar het feit dat er een steeds gullere glimlach verschijnt. Ik heb jeugdfoto’s van mijn ouders waarop ze ernstig kijken. Ze kleedden zich toen ook (voor ons gevoel) ouderwetser, want men wilde liever wat ouder en volwassener lijken, het tegenovergestelde van vandaag dus. En ik lees dat een neutrale uitdrukking langer is vol te houden. Dat herken ik, zo keek ik ook op de foto in mijn militaire paspoort. Na mijn diensttijd ben ik meer gaan glimlachen.

Het onderzoek laat dus zien dat glimlachen op foto’s in de loop van de tijd gebruikelijker werd. Leuk dat nu ook het vermoeden is bevestigd dat vrouwen duidelijker lachen dan mannen. Goed om te weten, maar het stoort toch wel dat wij mannen blijkbaar wat vaag lachen. Waarom is onze lach zo onduidelijk, zo weifelend? Zitten daar complexen achter? Of is het juist onze royale eerlijkheid dat het allemaal niet zo simpel ligt? En dan de toch redelijke vraag: wat kunnen wij met deze kennis? Natuurlijk kun je een link leggen met de in de tijd veranderende leefomstandigheden, de opvattingen, de cultuur etc. Nou moet je altijd een flinke slag om de arm houden bij onderzoeksuitkomsten. Natuurlijk bestaan er allerlei eisen voor goed onderzoek. Zo moeten steekproeven voldoende representatief zijn, wat erop neerkomt dat wat bij de groep onderzochten wordt aangetroffen ook opgaat voor het algemeen beeld, dus aannemelijk is voor ‘de gemiddelde mens’. Maar zijn we dat? Willen we dat zijn?

Als we naar foto’s van vandaag kijken dan staan we daar bijna altijd vrolijk op. Ook in kranten en andere media kijken ons blije mensen aan. Soms omdat ze enthousiast het museum uitkomen, of dolgelukkig zijn met de shampoo die ze net kochten. Een politicus probeert je aan te kijken met een redelijke blik van ‘ik weet ook niet alles maar doe wel mijn best voor u’. De begrafenisondernemer kijkt vertrouwenwekkend: mijn bedrijf ligt goed in de markt. De vrolijke winkelier trekt één wenkbrauw licht verwonderd omhoog: waarom wacht u nog als de broccoli bij mij in de aanbieding is? En wijzelf? Facebook laat ons vrijwel alleen maar blij kijken op een kinderfeestje, tevreden achter een cappucino, trots bij een stapel gekapt hout, enzovoorts. Maar hoe keken we vlak ervoor, en kort erna? Ook de geanalyseerde pasfoto’s laten niet zien dat iemand de dag ervoor op straat kwam te staan, of net uit het ziekenhuis komt waar een donoroor werd aangenaaid.

Als we zo vrolijk op foto’s staan, hoe kan het dan dat er zoveel geklaagd en gemopperd wordt in Nederland? Gelukkig staat daar dan weer ander onderzoek tegenover. Waarin bijvoorbeeld wordt aangetoond dat het volgens ons niet goed gaat met Nederland, maar wel met onszelf. En ik overdrijf hier natuurlijk ook wel een beetje door het onderzoek te overvragen. Maar blijft staan: hoe we op een foto graag gezien willen worden staat in principe los van de werkelijkheid. Het zegt niets over onze schrik en zorgen over wat er vandaag allemaal wel niet loos is in de wereld. En het zegt ook niets over ons pgb, onze verstuikte enkel, of de hoogte van het bedrag waarvoor we rood staan bij de bank. Iemand kan stralen op een vakantiefoto, maar op zolder wietplanten kweken. Het lijkt er dus op dat nergens zoveel toneel wordt gespeeld als bij de fotograaf.

Een computer kan een mooi gemiddeld gezicht ontwerpen, maar wij zijn niet gemiddeld. Dat moet ook zo blijven, vind ik. We zijn uniek. We moeten ons niet in een mal laten drukken, dat doen de modeontwerpers al genoeg. We moeten onszelf zijn, hoe moeilijk voor sommigen ook. Pas dan blijven we interessant voor elkaar. Dan kunnen we misschien ook iets voor een ander betekenen. Kunnen we voor hem of haar iets doen wat die ander niet heeft of niet kan. En zeker ook belangrijk: dan kunnen we om elkaar blijven lachen. Dat vind ik, want wie lacht niet, die de mens beziet? Deze zin is echter niet van mezelf, maar van Cats, Vondel of Brederode, de geleerden zijn het daarover niet eens. Of misschien wel drie zielen, één gedachte. Die is wel weer van mij. Want u snapt het al: ik schrijf dit vooral om van mijn gemiddelde gezicht af te komen.

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)