De krant lezend stuitte ik een poosje geleden op een artikel met als kop "Opleiding verplicht voor inzamelaars van oud papier". Huh? dacht ik, maar las ook de eerste zin: "Vrijwilligers die in Maastricht het oud papier inzamelen mogen dit vanaf 1 januari niet meer doen. Reden: ze hebben geen opleiding gehad. Oudpapierinzamelaars moeten op training". Ook een columnist moet eerlijk zijn, dus biecht ik het maar op: mijn eerste reactie was 'het moet niet gekker worden! Papier inzamelen kan toch iedereen? Wat een onzin!'

Maar dat was te snel gedacht. Want het ging in Maastricht om een strak georganiseerde vorm van ophalen, met een speciale kraakperswagen. En dan komt veiligheid om de hoek kijken. In Maastricht werd die niet zo nageleefd door studenten die dit werk daar vaak doen. Er vielen gewonden, botbreuken bij het op de wagen springen, de arbeidsinspectie kwam eraan te pas. Dit moest veranderen, en vandaar zo'n verplichte opleiding.

Het was dus niet wat het leek. De gewetensvraag kwam bij me op hoe ik tot zo'n snelle negatieve reactie kwam. Misschien omdat ik een echte Nederlander ben. Want je ziet dat heel vaak gebeuren: wij poldergeesten staan gauw klaar met kritiek. Daarnaast gaat iets belachelijk maken ons ook wel goed af. Kort geleden nog in een TV-uitzending over het zwembad in Hattem. Een politiek persoon daar hekelde het beleid van het college, en wist daarbij ook nog fijntjes te vertellen hoe dom men was: het bad bleek voor de norm van wedstrijdbad 4 centimeter te kort te zijn, doordat men vooraf vergeten was de dikte van de tegeltjes mee te rekenen. Het programma heette 'Kanniewaarzijn', en dat was dus letterlijk het geval: de politicus wist niet dat het een 1-aprilgrap was geweest, de interviewer vond het kennelijk niet nodig na te gaan of het wel waar was. En de kijker kon weer 'genieten' van zoveel 'dommigheid' zonder te weten dat hem of haar onwaarheid werd voorgeschoteld.

Dit verschijnsel is wijd verbreid: als iets leuk klinkt dan lijken we het met de waarheid niet zo nauw meer te nemen. Dat verschijnsel zie je in verschillende vormen terug. In deze tijd zijn bijvoorbeeld boeken populair die variaties bieden op de loop van de geschiedenis. Dat kan heel aardig zijn. Bijvoorbeeld de boeken van Paul Maier over ontdekkingen in het Heilige Land die een andere kijk op de geschiedenis bieden. Of zoals het boek van C.J. Sansom "De mist van London". Een spionagethriller die speelt in 1952, maar waarbij Engeland zich aan Duitsland heeft overgegeven en leeft onder de bezetting. Dat is behalve spannend ook fascinerend: stel dat dat zo gebeurd was! Meest opvallende auteur in dit verband is denk ik wel Dan Brown met zijn boeken als De Da Vince-code, Het Verloren Symbool e.d. waarin wordt gefantaseerd over bijbelse personen en gebeurtenissen, de rol van de kerk in Rome, enz.

Waarom lezen we dat zo graag? De Groningse hoogleraar Mladen Popović schrijft daar iets over in een bijdrage aan het schitterende standaardwerk over de schatten van Qumram, oftewel de Dode Zee-rollen. Hij geeft daarin een verklaring voor (een deel van) de aantrekkingskracht van de Dode Zee-rollen voor moderne complottheorieën en theorieën over andere, verloren vormen van christendom, zoals in de boeken van Dan Brown. Een van die redenen voor het succes van dergelijke boeken is dat ze appelleren aan verborgen teksten, bewuste onderdrukking van tradities, geheime complotten en aan de gedachte dat niet alle informatie beschikbaar is. Direct of indirect stellen ze ook de gevestigde orde ter discussie. Popović concludeert nuchter: "Het zijn spannende boeken, maar ze vertellen niet de waarheid over de Dode Zee-rollen".

Ik herken mij er wel in. Daarin komt een verklaring mee voor onze gretigheid bepaalde zaken op te pakken zonder voldoende toetsing. Het is altijd spannend om te denken "maar stel dat het anders is, en...." of "ze zeggen dat wel, maar of het zo is...". Want inderdaad: soms weet je niet wat je ziet, en is het niet wat het lijkt.

Ton van Leijen ( avanleijen@lijbrandt.nl)