Op doorreis zie je het weer: "Manufacturen", op de gevel van een huis in Hattemerbroek, vroeger ooit een winkel. Het heeft niets te maken met Manyfacturen of teveel ontvangen rekeningen. Maar vroeger was het chiquer om handwerken (want dat betekent het) zo te noemen. Net als comestibles (levensmiddelen) of galanterieën (elegante sjaaltjes, handschoenen e.d.), chocolaterieën, corsetterieën, bijouterieën, infanterieën, maar dat is weer wat anders.

Veel Frans dus, zoals patisserie, charcuterie, coiffeur. De mineur heeft het veld geruimd, de traiteur niet helemaal, gelukkig zijn de elektricien en opticien nog onder ons. De trend om het mooier, leuker of deftiger te benoemen dan het soms is gaat nog door. Winkeltje werd boutique (later gewoon boetiek), shops en corners verrezen in menigte, inn's en plaza's komen er nog bij, en denk bij outlets niet aan uitlaatplaatsen voor honden. Door schaalvergroting werden veel winkels 'markets'. Te beginnen met de supermarket, toen meestal alleen voor levensmiddelen.

Uit sommige namen kun je eigenlijk niet afleiden wat er te koop is, tenzij je er een keer bent geweest. Karwei geeft een vermoeden, maar wat verwacht je – als je niet beter weet – van Familux, Formido, Blokker? Inmiddels weten we natuurlijk wel dat je daar niet moet zijn voor kibbeling. Ook bij Aldi, Boni, Emté, Plus moet je een keer geweest zijn voordat je ergens anders probeert je haar te laten knippen. Daar is geen woord Frans bij, maar die namen vertellen niet wat achter de gevel wordt verkocht. Bij kringloop denkt vermoedelijk niemand meer aan sterrenkunde, voedselketen of dressuur van paarden. Die tweedehandsspullen kocht je vroeger in een Venduhuis of uitdragerij (niet te verwarren met een begrafenisondernemer).

Ik hou wel van eenvoudige namen. Zoals slagerij, vroeger ook vleeschhouwerij geheten. Daar werd vlees gesneden en werden karkassen in stukken gehouwen, dus die naam snijdt wel hou(w)t. Slagerij Bos klinkt adequaat: recht voor z'n raap zullen we maar zeggen. Koops bedden geeft me ook rust (gelukkig is 'bedden' met twee d's geschreven, zodat de passant op de A28 niet de indruk krijgt dat er weer iemand voor zichzelf een kerk is begonnen). Bakkerij Van Olst klinkt persoonlijker dan bakker De Hoop, maar beiden maken je hoop op lekker gebak wel waar. En bakkerij Schuld bouwt met zijn digitale bezorgservice een naam op als vernieuwend. Zo zie je dat een naam niet alleen voor een product, maar ook voor een formule of concept kan staan.

Er zijn nog wel sprekende uitzonderingen. Ik vermoed dat iedereen bij Koelewijn meteen aan Spakenburg denkt en dus aan vis. Bij dezelfde plaats is ook de naam De Graaf heerlijk aangekoekt. En bijvoorbeeld Verkade, Calvé, V&D, Gazelle staan ook voor bekende producten. Ach ja, romantiek verdwijnt. We kennen een terras, café of kroeg. Vroeger was er de 'uitspanning'; in het woordenboek omschreven als 'gelegenheid waar men heenreed om zich te vermaken' (dat is dus geen raadsvergadering). Prachtige voorzieningen, en natuurlijk beheerd door een uitbater, want managers bestonden nog niet.

Kortom: ik ben de bewoner(s) van het huis in Hattemerbroek dankbaar dat zij deze naam nog op hun gevel hebben, en op die manier de zware last van de deur naar het verleden blijven dragen. Ik ken hen niet, maar wat mij betreft mogen ze in één adem worden genoemd met Atlas en Simsom. Het zijn krachtpatsers in cultuur-historische overdracht. Zonder hen zouden we de link met vroeger, met de oude namen verliezen. Zonder hen zou deze column ook niet zijn geschreven. Je moet er toch niet aan denken.

Ton van Leijen ( avanleijen@lijbrandt.nl)