noot

Er zijn mensen die ‘niets met muziek hebben’. Toch zullen de meesten wel herkennen en beleven dat muziek alles met gevoel te maken heeft. Vragen als hoe dit werkt, of wanneer zoiets in je eigen leven begon zullen verschillende antwoorden krijgen. De een houdt zich er nauwelijks mee bezig, de ander gebruikt muziek wellicht als sfeermakend ‘behang’, een derde is er altijd mee bezig of leeft er zelfs van. Maar ook als je ervan houdt kan er een fase zijn waarin je er minder tijd aan besteed, of waarin het juist opleeft.

Als ik in mijn geheugen graaf naar wanneer muziek ‘iets met me deed’ kom ik bij mijn lagere schoolleeftijd. Een vader van een vriendje had een paar van die Duitse bierpullen met tinnen deksel; als je die open deed schoof er een rekje naar boven waarin sigaretten werden gepresenteerd, maar dan begon er tegelijk een muziekdoosje te spelen. Uit de ene pul klonk dan ‘De diligence’ van de Selvera’s, en uit de andere ‘Rosen aus Tirol’ van Johannes Heesters. Die techniek vond ik prachtig, de muziek niet maar ik voelde wel dat er iets nostalgisch of weemoedigs in de eigenaar van de pul loskwam.

Een paar jaar later kocht mijn oudste broer van zijn eerst verdiende geld een Philips koffergrammofoon; je weet wel, deksel eraf, stekker in stopcontact, plaatje erop, de arm laten zakken en luisteren. Niet-klassieke muziek heette toen nog ‘populaire muziek’, maar er was een enorme verandering gaande vanuit Amerika en later Engeland. Mijn broer had voor een tiener best een wonderlijke platencollectie: hij draaide bijvoorbeeld Porgy en Bess, Mario Lanza, negro spirituals, maar ook Pat Boone, Connie Francis, The Everly Brothers, Buddy Holly en de opkomende Elvis Presly. Zelf werd ik toen meer geraakt door de Big Bands: die vond ik fascinerend, met drummers als Gene Krupa en Buddy Rich. Wat een energie, wat een stuwende swing!

Op de middelbare school vormde ik met vrienden een bandje waarin ik ging drummen. Zelf was ik een groot fan van The Shadows geworden (Apache, Wonderfull Land, FBI e.d.) maar we speelden ook de Liverpool- en Merseysounds, dus Beatles, Searchers, Hollies, Kinks, enz. Toen kwamen de jaren waarin we als vrienden uit elkaar waaierden, trouwden, een gezin stichtten, een carrière begonnen, verhuisden. Met minder tijd voor muziek, waardoor er gaten ontstaan in je kennis ervan. Later ontdek je dat je dan hele mooie dingen hebt gemist, maar merkt ook dat sommige nieuwe stromingen je niet aanspreken.

Bij dat laatste hoort nog een andere verklaring. Douwe Draaisma, een hoogleraar in de psychologie, heeft eens gezegd dat iedereen boven (ongeveer) de dertig jaar een tijd kan aangeven waarin volgens hem of haar de beste muziek werd gemaakt. Draaisma stelt dat iedereen een ‘popvenster’ heeft van zo’n vijftien jaar. Alles wat na die periode wordt gemaakt laat je dan relatief koud. Dat herken ik, je ziet het om je heen als mensen hun oude voorkeuren eindeloos blijven herhalen.

Muziek ontdekken, mooi gaan vinden, bepaalde musici beluisteren en naar hun concerten gaan is denk ik verweven met je eigen ontwikkeling. Waarom raakte ik als puber gefascineerd door de muziek die toen vooral Radio Caroline en radio Veronica de ether instuurden? Omdat mijn eigen groei naar de volwassenheid een enorm grote rol speelde. Je beleefde deze wonderlijke ontdekking van een nieuwe muziekwereld met je vrienden, met je schoolgenoten. Er gebeurde iets nieuws, je ontdekte het, begreep het zelf misschien niet goed, maar wilde het absoluut niet missen.

Zo brengt muziek je ook terug in die tijd. Je hoort een oud nummer en er gaat meteen een venster open naar een fase die voorbij is. Nostalgie en weemoed liggen dan dicht bij elkaar. Niet voor niets worden bijvoorbeeld in bejaardentehuizen liedjes van vroeger gespeeld of gezongen: het brengt de herinneringen terug aan de tijd waarin die liedjes populair waren en aan de omgeving waarin je toen leefde. Muziek is emotie, gaat dus over jezelf, roept dingen in je op, brengt je in een stemming. Je kunt er je diepste belevingen in kwijt. Dat verklaart ook de pijn voor veel gelovigen om in deze tijd niet samen te kunnen zingen in het kerkgebouw.  

Muziek is ook verweven met de vluchtige wereld van opkomen, blinken en verzinken. Bij elk bericht over het sterven van een voor jou dierbare muzikant vlamt er weer een herinnering op. Je realiseert je sterk dat dat niet terugkomt, en het maakt misschien ook het besef van je eigen sterfelijkheid groter. Dat is natuurlijk altijd zo geweest. In welke tijd je ook leeft, je gaat met de muziek mee, en de muziek met jou. Dat kan ook een prachtig uitzicht zijn op de hemelse muziek later. 

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl