Nee, niet per ongeluk, ik schrijf expres perrongeluk. Het wordt een beetje nostalgisch. Af en toe kom ik wel eens met een kleinzoon op het perron om naar de stoppende of langsrazende treinen te kijken. In een bepaalde leeftijdsfase maakt dat indruk op hen. En ik had ineens een weemoedige flashback naar mijn eigen jeugd. Woensdagmiddag, of ’s zaterdags moesten we als jochies in de Zwolsche wijk Assendorp ons vermaken. Ik heb het over 1957. Nu had de vader van een vriendje van me de gewoonte om ons wat kleingeld te geven met de tekst “Hier, ga dat maar verbrassen”.

Ik weet niet of dat een voor die tijd vooruitziende blik was om kinderen te leren omgaan met geld, of dat hij het wel even rustig vond zonder ons. Maar aan die overweging kwamen wij ondanks het goede onderwijs van die tijd niet toe, en we wisten wel wat we wilden met de stuivers en dubbeltjes. Voor twintig cent kon je heel veel doen, maar wij kozen bijna altijd eerst voor het kopen van een perronkaartje. Dat kocht je in de stationshal of bij het bemande (!) loket voor 5 cent, dat liet je dan ter controle knippen voordat je het perron op mocht. En dan begon het zalige uurtje van kijken.

Wat zag je dan? Reizigers natuurlijk, haastig rennend, gejaagd in- en uitstappen, of rokend stilstaand naast een koffer (er werd toen veel gerookt), personeel met petten, altijd kokervormige petten, zwarte uniformen met rode strepen, fluitjes, leren schoudertassen met aanhangende nikkelen kniptangen. Maar ook personeel dat behulpzaam was bij het ouderen de trein inhelpen. Het meest fascinerend vond ik nog de verkopers van wat we tegenwoordig catering zouden noemen. Ze renden met hun karretje langs de coupeés met een snel uitgesproken riedel van wat wij verstonden als “Kòòòffie-thee-limonade-suikerbieten en verrekte kauwgom.” Ze zeiden denk ik wat anders, maar meer konden wij er niet van maken.

En dan hoopten we te zien wat soms echt gebeurde. Namelijk dat iemand vanuit een open raampje snel nog even een koffie bestelde. Maar die kreeg hij of zij pas als er eerst met een lange arm uit het raam betaald was; begon de trein dan al te rijden dan had de verkoper in ieder geval het geld, maar de passagier liep het risico zonder koffie te vertrekken. Dat maakte dan grote indruk op ons, want we hadden zeker wel het besef dat dit pijnlijk was. Die verkopers hadden een naam, maar ondanks mijn speurtochtje op internet kon ik het niet meer op het spoor komen.     

Als er dan eindelijk enige vermoeidheid bij ons optrad, of de tijd waarvoor het perronkaartje gold om was hadden we nog een troef: een ritje met de stadsbus. De maatschappij gebruikte toen de slogan “Een busse van Schutte, en loopn det dut-e”. Dat klopte ook, de stinkende dieselbus liep als een trein. Voor tien cent reed je dan de hele stad rond, liefst op de achterste bank. Je moest je dan wel een beetje rustig houden, want anders liep je het risico dat de chauffeur na het derde rondje door Zwolle kon zeggen “Nou jongens, zo kan-die wel voor vandaag”.

Er was nog een andere besteding. Op zaterdag fietsen we soms naar Lemelerveld. Daar woonden de ouders van de geldgevende vader, dus de opa en oma van mijn vriendje en zijn broer. Voorafgaand aan de tocht kochten we dan eerst bij de Végé-kruidenier op de Assendorperstraat een zakje gemalen drop met poedersuiker. Dat werd in zo’n bascule-weegtoestel afgewogen: een beetje salmiak los onderin het puntzakje, en dan een berg poedersuiker erover heen. En ook dit maar 5 of 10 cent. Een beetje doorroeren, en dan aan de puntkant beginnen te zuigen. Heerlijk. Als we uitgedroogd in Lemelerveld aankwamen lustten we wel een emmer water, maar dat had je er voor over. De limonade was ook lekker.

Een rondje met de bus, banjeren op het perron, belangrijke onderdelen van een gelukkige jeugd. De vader van mijn vriendje leeft niet meer, mijn vriend nog wel. Perrons zijn er ook nog steeds, maar nu gevuld met mensen die vrijwel allemaal op zo’n klein apparaatje zitten of staan te kijken. Ze missen denk ik wel veel. Maar ja, wat je niet kent mis je wellicht ook niet. En onder mensen die het zelf nog hebben meegemaakt wordt de spoeling dun. Hoewel, nog steeds zijn verhalen en films populair die ons de leuke kanten laten zien van wat er niet meer is. Gelukkig.  

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl) Nb: wie weet nog hoe die verkopers heetten?