Je kent ze wel: je stelt een vraag, en ze komen helemaal los. Aan hun reactie lijkt geen einde te komen, zodat je soms spijt krijgt ook maar iets gevraagd te hebben. Het overkwam ons pas toen we in de late toegift van mooi nazomerweer gingen fietsen in Drenthe. Op een mooi knooppunt van fietspaden stopten we voor het nuttigen van een krentenbol, en namen vredig plaats op een bankje dat net door twee anderen werd verlaten. Kort daarna arriveerde er ook een ander fietsechtpaar. Ze namen plaats in het kleine overdekte hutje vlakbij ons bankje.

Na het broodje wilden we verder gaan, maar bij het ter hand nemen van de fietsen ontstond een gesprek. Zoiets begint vaak met eenvoudige smalltalk als ‘wat een weertje he? En dat in deze tijd van het jaar’. Dat was zo ongeveer ook hun eerste zin, waarop wij met vergelijkbare en op waarheid berustende conclusies reageerden. Ja, ook de man vond het heerlijk. Zij kwamen uit Groningen, werd toegevoegd. Mijn spontane reactie: ‘aha, het land van Ede Staal’. Ja - beaamde hij - maar hij gaf om die liedjes minder dan zijn vrouw dat deed. Hij had niks tegen Gronings spreken, deed het zelf ook, maar je kon overdrijven. Hij raakte op dreef.   

Mijn tweede fout volgde, ik zei: ‘toch heeft dat iets moois; ook Friezen zijn trots op hun eigen taal en cultuur’. Oei! Volgens mijn gesprekspartner was dat soms nog erger dan bij Groningers. Hij bleef bij die provincie, en wist een sterk voorbeeld te geven. Hij had gewerkt met collega’s die zelfs tegenover klanten van ‘buiten’ geen verstaanbaar Nederlands wensten te spreken. Er was ooit een klant geweest die naar hem toe was gekomen omdat hij zijn collega’s niet begreep, omdat die ervoor pasten ‘normaal’ met hem te communiceren. Zo ging het verder.

Toen er eindelijk weer even ruimte was voor mij kwam ik toch nog met een derde fout. Ik gooide een voorbeeld in het gesprek uit eigen ervaring van een vergadering in Friesland waar de deelnemers gewend waren in het Fries te spreken. Ze vroegen mij als gast en enige niet-Fries vooraf of ik liever wilde dat er in het Nederlands zou worden gesproken. Ik vond dat niet nodig, ook erg bezwaarlijk om  zo’n inbreuk te maken op wat men gewend was, bovendien kan ik het Fries wel een beetje volgen. Maar - zo concludeerde ik naar mijn gesprekspartner bij de fietsen - dat was toch wel erg zorgvuldig en gemanierd van die Friezen.

Ik bereikte hem niet, want hij boog het gesprek weer om naar Groningen en het werk dat hij had gedaan; over welke voldoening maar ook teleurstellingen hem dat op latere leeftijd had opgeleverd, enzovoorts. Met een scheef oog naar mijn vrouw spiedde ik naar psychologisch tactische momenten om het gesprek af te breken, want we wilden fietsen en stonden nu toch wel erg lang stil. Mijn vrouw was echter met de andere vrouw in gesprek geraakt over raakvlakken in hun medische ervaringen, en ook dat hield nogal aan. Maar zie: uiteindelijk was het zelfs de andere vrouw die naar haar man aangaf dat ‘die mensen’ toch graag verder van het mooie weer wilden genieten.

Dit zag de man ook wel in. Hij voegde nog toe ‘u komt zeker uit het onderwijs?’ wat ik met kleine correctie niet kon ontkennen. Wel vroeg ik me af waaruit hij dat afleidde, maar het leek me wijs daar niet opnieuw op in te gaan. We namen afscheid en stapten op, staken het kruispunt over en keken nog even achterom. Het echtpaar zwaaide hartelijk naar ons. Een simpele vraag en een luisterend oor had de man laten loskomen over zijn hele leven. Ik besefte ineens dat ik een levensgeschiedenis had aangehoord waarover de man zich in eigen kleine kring niet meer zijn ei kwijt kon. Je hebt van die mensen. Authentiek, en gewoon ontzettend aardig. 

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)