Afgelopen week kwam een oude vriend met zijn vrouw ons weer eens bezoeken. We kennen elkaar vanaf de lagere school. Toevallig had ik een dag daarvoor een nieuw boek gekocht over Assendorp, de wijk van Zwolle waar we samen opgroeiden. Ik liet hem het boek zien en hij bladerde het gefascineerd door. Ach kijk, dat huis staat er nog, en weet je nog dat daar toen de groenteman zat naast die kapper? En daar, de kruidenier waar we altijd zwartwit kochten. Het leken wel teksten uit een liedje als Het dorp. We kwamen erover los en genoten van de herinneringen aan die tijd. Op een gegeven moment zei hij ‘Jammer dat we er toen geen oog voor hadden’.

Die zin bleef bij me hangen. Ik voelde de emotie die erin meekwam. Iets van weemoed bij wat er niet meer is. Maar als je dan verder denkt besef je ook dat zoiets voor een kind heel lastig is. Je speelt in de straat, gaat onbezorgd naar school. Onze lagere schooltijd was ook met de kennis van nu een heerlijke tijd. Maar als je later elders naar school gaat, als je ouders en ook jijzelf gaan verhuizen, of als je een baan vindt in verschillende delen van het land, dan hou je niet meer bij wat er in de wijk van je jeugd zoal gebeurt. Nu is Assendorp gelukkig in veel opzichten nog authentiek, van de prachtige dominante Dominicanenkerk tot en met beschermde straten met arbeidershuizen. Maar als je alleen al de bedrijvigheid neemt is er ook enorm veel gesloopt.

Zulke ingrijpende veranderingen zijn natuurlijk vaak ten goede. Aan het begin van de Assendorperstraat herinner ik me nog de oude azijn- en kaarsenfabriek van toen ik nog geen tien jaar was, door de Assendorperdijk gescheiden van het oude RK-ziekenhuis, waar de zusters nog rondliepen met van die grote witte kappen op. De foto in het boek maakte dat beeld weer scherper dan ik verwachtte. De fabriek werd gesloopt voor de moderne hoogbouw van wat toen heette ziekenhuis De Weezenlanden. Maar dat is recentelijk ook weer gesloopt, en nu is er een heel fraai straatbeeld ontstaan door architectonisch uitgekiende woningbouw. De (destijds) rooms-katholieke slager is er nog, de protestants-christelijk niet meer. De school waar mijn vrouw op zat is gesloopt, evenals de garage die er pal naast stond, en er is nu een supermarkt met parkeerterrein, de stoffeerderij  verderop is nu een fraaie boekhandel, enzovoorts.     

Zulke waarnemingen zijn al gauw nostalgisch van aard. Ze zeggen meer over onszelf, onze beleving van de jeugd, dan over huizen die bleven of verdwenen en winkels die wel of niet overleefden. Het beeld van een wijk met zijn pleintjes, plantsoenen, scholen, en kleine middenstanders confronteert je eigenlijk met jezelf: met hoe onbekommerd je jeugd was, hoe vertrouwd en veilig de buurt was, de vriendjes en vriendinnetjes waarmee je er speelde, of de buren waar je op woensdag- of zaterdagmiddag naar de TV mochten kijken. Een luxe die deze buren in mijn geval als eerste en lange tijd ook als enige in de straat hadden. Je kunt ook onmogelijk op kinderleeftijd vergelijken met een tijd die je nog niet kent, waarvan je geen idee hebt wat die brengt. Dat zijn normaal gesproken dingen waar je als kind niet bij stilstaat. Je leeft, soms heel intensief, en dat bepaalt je geluk.    

We hadden er toen als vrienden geen idee van dat onze wegen later door allerlei redenen uit elkaar zouden gaan. Hij ging naar het westen, ik naar het midden en later weer het oosten. Totdat we elkaar een paar jaar geleden bij een reünie van de basisschool (met inmiddels een andere naam) weer ontmoetten. Na zo’n kleine vijftig jaren uit beeld te zijn geweest was dat een merkwaardig, maar ook grappig moment. Een beetje onwennig keken we elkaar aan, en volgden samen het programma van de reüniecommissie. Maar het klikte toch opnieuw, en bij het afscheid spraken we af elkaar weer eens op te zoeken, wat we nu al enkele jaren met lichte regelmaat doen.

Een vriendschap die alleen bestaat uit herinneringen aan vroeger duurt niet lang, heb ik ervaren met een paar maten uit de tijd van de militaire dienstplicht. Mensen veranderen, jijzelf ook, en de binding kan te los worden als het alleen uit ‘weet-je-nog-’ of ‘ken-je-die-nog-‘gesprekjes bestaat. Als je een oude vriendschap weer oppakt moet er ook voldoende gespreksstof en oprechte interesse zijn over het leven nu. Over de wereld waarin we nu leven, over hoe onze levens er nu uitzien, over wat voor ons de zin van het leven is. Dat is gelukkig ook het geval. Het bewijst denk ik dat onze vriendschap vroeger ook meer inhield dan alleen eenzelfde schoolklas delen. Mooi als dat ‘meer’ er ook nu nog is.    

Ton van Leijen

(avanleijen@lijbrandt.nl)