Hoe vaak lach je per dag? Vermoedelijk stellen heel weinig mensen zichzelf die vraag. Lachte ik vroeger meer dan tegenwoordig? Die vraag komt waarschijnlijk vaker voor, vooral als we een periode meemaken waarin we ons duidelijk minder gezond of vrolijk voelen. Heeft het met leeftijd te maken? Ik las een heel aardig artikel daarover. Dat begon met de vraag of het waar was dat kinderen de hele dag door lachen, terwijl volwassenen bij het ouder worden dat steeds minder doen. Een deskundige stelde dat dat een mythe was. Maar er is meer over te zeggen.

Er is weinig onderzoek naar hoe vaak we per dag lachen. Een psycholoog van de Universiteit Utrecht deed eens een experiment om te bezien hoe een gemengde groep van kinderen en volwassenen reageerden op iets dat ze samen leuk zouden vinden. Daarvoor koos men America’s Funniest  Homevideo’s. Gemeten werd hoe vaak de mondhoeken opkrulden en de ogen zich vernauwden. Nu moet je wel weten dat het mondhoekkrullen bestuurd wordt via het willekeurige zenuwstelsel, en de ogenvernauwing via het onwillekeurige. Bekend is dat alleen met de mond lachen of glimlachen vooral een sociaal signaal is dat uitdrukt ‘dat we van goede zin zijn’. Resultaat: de volwassenen lachten meer dan de kinderen, maar de kinderen reageerden anders: zij deden de hand voor de mond, of keken geschrokken. De verklaring zou dan kunnen zijn dat volwassenen beter doorzien dat de video onderdeel is van een humoristisch programma, en daarom gemakkelijker lachen.

Die lachverschijnselen zijn heel interessant. Ooit schreef ik een bijdrage over ‘verkeerd lachen’ (zomer 2013, ik schrik er zelf van). Maar in het recente artikel wordt gesteld dat mensen nu tot dertig keer meer lachen in een sociale context dan wanneer  ze alleen zijn. En het merendeel van die lachinteractie heeft niets met humor te maken. Lachen is meer dan plezier ervaren, lachen is een vorm van communicatie-zonder-woorden. Iemand noemt het ‘het fundament van onze identiteit’. En er zijn biologen die vermoeden dat lachen evolutionerend is ontstaan als smeermiddel om te laten zien: ‘kijk, we hebben het goed in de groep’. Iets dat wij denk ik ook heel sterk zien in de praktijk van het leven. Want er bestaat dus een ‘lachen zonder het te menen’, of preciezer: zonder het als vrolijkheid of humor te bedoelen.

Als je een politieagent de weg vraagt verwacht je een vriendelijk antwoord. En een politicus met een uitgestreken gezicht geef je niet gauw je stem. Voor een stewardess is het noodzaak dat ze zich glimlachend door het nauwe gangpad wringt. Hetzelfde bij een ober bij wie je een cappuccino bestelt. En de bloemist die jouw je rozen aanreikt doet er ook verstandig aan te kijken alsof hijzelf dat kado voor je geliefde ook passend vindt. Een andere categorie is de verpleegster aan je bed; die moet toch echt een bemoedigende glimlach kunnen bieden bij het opnieuw verversen van de katheter. En denk aan de uitvaartmedewerker, met een begripvolle en bescheiden glimlach om de mond. Van al deze situaties is te billijken dat het een beroepshalve vriendelijkheid is. Misschien ligt er een grens bij een pastor: die moet tenminste zoveel empathie opbrengen dat je voelt dat het hem of haar ook raakt.  

In video’s als die ik hiervoor bij het experiment noemde gaat het meestal om huiselijke taferelen waarbij iemand iets grappig bedoelt te doen dat uit de hand loopt. Al gauw komt dan het spreekwoord ‘geen groter vermaak dan leedvermaak’ bij je op, of ‘wie lacht niet die de mens beziet’. Wat je in deze tijd op internet steeds meer ziet zijn extreme vormen ervan. Iemand wil bijvoorbeeld met een fiets een stuntje uithalen, maar knalt dan keihard met zijn hoofd op een betonnen rand. De omstanders lachen, maar buiten beeld blijft dat er nadien een ambulance of erger aan te pas komt. Als we om zulke desastreuse incidenten gaan lachen lijkt me dat ronduit belachelijk.

Lachen werkt dus als een soort smeerolie in relaties. Verder weten we dat lachen gezond is. Zelfs mensen met een sombere bui kunnen zich door te lachen een stuk beter voelen. Verder: vrouwen zijn de lachebekjes, maar mannen zijn grappiger. (Hier ga ik verder maar niet op in.) Als een man het heeft over een vrouw met humor, dan bedoelt hij meestal een vrouw die om zijn grapjes lacht. Oei.  Ondergeschikten lachen vaak minder dan hun baas, ze lachen wel vaak om hun baas. Sprekers lachen meer dan hun publiek. En het kan haast niet anders of er is ooit ergens door iemand aangetoond dat columnschrijvers vaker en royaler lachen dan normale mensen. Ik wacht nog op een onderzoek naar mondhoekkrulling en oogvernauwing onder mensen die hun columns lezen.  

 

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)