Een vriend van vroeger. Want zoals het vaker gaat: je verliest elkaar jaren uit het oog, jaren waarin je allebei je eigen leven opbouwt. Dan komt hij dichterbij wonen, en is er ineens een  reden voor hernieuwd contact. Je haalt de tijd in door bij te praten, en schrikt een beetje van wat hem allemaal is overkomen. Zijn vrouw stierf op relatief jonge leeftijd, we woonden toen nog de begrafenis bij. Er was een nieuw huwelijk met een jeugdvriendin, maar geleidelijk aan liep dat vast, zelfs gevolgd door een scheiding. Dat laatste hoorde ik via-via. Ik ga hem weer een bezoekje brengen.

Oud worden wil iedereen, maar het zijn is wat anders. Deze uitspraak kun je nogal eens horen, en ik merk het ook vanaf het moment dat ik zijn seniorenflat binnenkom. Elektrische deuren, en je moet dan naast het naambordje de knop van de intercom indrukken, zodat hij de deur op afstand voor je kan openen. Na lange tijd komt hij aan de intercom, ik meld me. Hij vertelt meteen dat hij de deur niet kan openen omdat hij zijn sleutelbos niet kan vinden, en daaraan zit ook de deurbediening. In gedachten zie ik hem moeizaam manoeuvreren achter zijn rollator, want hij is erg verzwakt. ‘Bel maar met huisnummer ..,  die kan je wel binnenlaten.’   

Dat doe ik. Een verzorgster neemt op met de mededeling dat haar cliënt even naar het toilet is, zij niet weet waar hij de afstandsbediening heeft, en kan me dus ook niet binnenlaten. ‘O hij komt er net aan’; en ik krijg hem zelf aan de intercom. Ik vertel waarvoor ik kom, en aan het zoemertje hoor ik dat de deur openschuift. Ik bedank de man en sprint de trappen op naar de derde verdieping, de gang door naar het appartement van mijn oude vriend. Even een aarzeling waar de huisbel zit, dan zie ik de laag geplaatste schakelaar en druk erop.

Tegelijk verschijnt er aan het eind van de gang iemand, en het figuurlijke belletje rinkelt bij mezelf: dat is natuurlijk degene die zo vriendelijk was de deur voor me te openen. Ik stel me voor en hij stelt zich voor als een jongere vriend van mijn vriend, en ik zeg ‘dat kan ik wel zien’. Hij begrijpt de humor en voegt eraan toe ‘ik ben zesentachtig’. Hij opent de deur, en meteen heb ik spijt dat ik zelf ook heb aangebeld, want daar komt de vriend waarvoor ik kom aarzelend aanschuifelen achter zijn rollator. Met zijn negentig jaar nog zeer helder van geest, maar tegelijk heel broos van lijf en leden. Leeftijdsverschillen vallen echter weg bij een gesprek van hart tot hart. 

Het weerzien is hartelijk, maar ik wordt er weer mee geconfronteerd hoe klein de horizon gaat worden als je zelfs je huis niet meer uit kunt. En ik realiseer me voor welke problemen goedbedoelde techniek je kan stellen. De entree met het elektronische systeem is natuurlijk gericht op veiligheid, geen ongewenste personen toelaten, alleen als een bewoner zelf op afstand de deur daarvoor opent. Maar in mijn geval kon de bewoner dat zelf niet doen. Wat als hij nu eens geen vriend in de andere vleugel had die voor mij de deur kon openen? Of als die vriend om de een of andere reden niet thuis is?

We hebben een mooi gesprek over wat het leven nu nog biedt, maar ook over zijn verlangen om naar de hemelse bestemming te gaan. Hij is voorbereid op het sterven, maar leeft evengoed toch nog op bij een fijn bezoek, en waardeert de zorg voor de zoon die de zaken voor hem regelt. Hij heeft een ruime woning, met een goed uitzicht. Lichamelijke en overige zorg is goed geregeld, maar lezen is zo langzamerhand te vermoeiend, wat ook geldt voor tv-kijken; het slapen en eten gaat ook niet zo geweldig meer. Zijn bejaarde vriend komt regelmatig langs, de wijkouderling ook, en wat ‘losse’ figuren zoals ik. Bij die bezoekjes leeft hij wat op en lachen zijn ogen. Ik probeer nog wat moed in te spreken. Bij het afscheid zeg ik dat ik zeker probeer nog weer eens langs te komen. ‘Leuk Ton, doe dat. Maar ik weet niet of ik er dan nog ben.’

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)