Een hele oude uitdrukking. Mijn moeder gebruikte die wel eens als ik als kind zeurde over het eten. Versterkt door wat zij en mijn vader zelf inde oorlog hadden meegemaakt vonden ze dat een kind gewoon tevreden moest kunnen zijn met wat er is. Soms was dat alleen maar betaalbare boterhamworst of bruine suiker. Toen was nog ondenkbaar wat je vandaag ziet: vijf tot tien potten pindakazen, jammen, stropen, choco in vlokken, hagel en pastavorm, vruchtenmixen, muisjes enzovoorts zijn bijvoorbeeld geen uitzondering. En in principe hadden mijn ouders natuurlijk gelijk.  Mijn moeder lachte er dan wel een beetje bij, dus hardvochtig was ze niet. Ook als ik geen sinaasappel lustte of spinazie. Maar is tevredenheid als deugd geschrapt?

Wat in ieder geval wel vreselijk om zich heen grijpt is ontevredenheid, vaak in combinatie met ongeduld. We willen iets, en we willen het direct. Met schaarste kunnen we niet omgaan. De financiële crisis was voor velen moeilijk te hanteren, en nu de economie aantrekt lees ik dat de huizenbezitters in feite al weer het zelfde gedrag vertonen als voor de crisis. Een heel ander voorbeeld speelde bij de kwestie van het wildplassen. Een vrouw die in Amsterdam wildplaste (niet te verwarren met wild plassen) kreeg een bekeuring. Ze kwam in verzet en stapte naar de rechter. De rechter toonde begrip voor de vrouw door de boete te verlagen. Iemand schreef ‘ach ja, de rechter was een man’. Onzin, ook een vrouwelijke rechter is er juist om de wet te respecteren. Besturen zijn er voor meer urinoirs.

Maar denk niet dat ik het probleem bagatelliseer. Hoge nood is goed voorstelbaar. Zo is er een stichting die zich inzet voor het bespreekbaar maken van het probleem van mensen met een overactieve of zwakke blaas, en pleit voor meer toiletten. Dat lijkt me een goed streven voor alle mensen. Maar over urgentie gesproken: hoe werd zoiets dan de laatste - pakweg - vijftig jaar opgelost? Eisen we in deze tijd niet veel te snel dat er voor elk probleem dat we ervaren onmiddellijk een oplossing komt? En wie het huis uit gaat weet als regel toch wel waar naartoe, voor hoelang, en welke situatie zijn of haar blaas toelaat?   

Ik las nog een heel ander verhaal dat te maken heeft omgaan met tegenslag, geduld bij beperkingen. De blinde conferencier Vincent Bijlo is bekend van zijn soms uiterst scherpe maar ook humoristische benadering van het leven. Recent moest hij constateren dat nu ook zijn gehoor terugloopt. Mensen bevragen hem daarover: hoe incasseer je het als je behalve blind ook doof dreigt te worden? Stop je met je werk? Hij noemt het een ‘stom genetisch foutje’. ‘Waarom zou ik opgeven? Ik wil geen geval zijn.’ Dat tekent zijn instelling. Iemand verwachtte dat hij bij deze nieuwe beperking wel stiekum zich elke avond zou bezuipen of dingen in elkaar zou slaan. Maar - zegt hij ergens - waarom foeteren tegen de regen? De zon gaat daardoor niet schijnen. Bijlo kiest in plaats van een ‘alles verterende woede’ voor ‘actieve berusting.’ Zijn nuchtere opstelling is indrukwekkend, dwingt respect af, zet je aan het denken. En dat is natuurlijk ook de functie van een cabaretier.

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)