3a1945766a604eb4b5b945d285cdd80b

26 januari is de jaarlijkse gedichtendag, daarmee start de week van de poëzie. Maar wat is dat toch met poëzie? Houden we er wel echt van? Voor de radio vertelde iemand dat er meer dichters dan lezers zijn in Nederland. Dat zou wel eens kunnen kloppen. Eerlijk gezegd denk ik ook dat de meeste dichters meer voor deskundige collega’s en recensenten schrijven dan voor het ‘brede’ publiek. Nou ja, breed is dat publiek niet. Maar waarom houdt Nunspeet dan zijn gedichtenweek? Waarom heeft Elburg een stadsdichter, en waarom Oldebroek niet?

Het antwoord is niet zo simpel. En ik ga er ook niet zwartgallig over doen, al was het maar omdat het thema uitgerekend dit jaar ‘humor’ is. Eerder schreef ik al dat smaken natuurlijk erg verschillen. Je kunt uitersten in dichtersland noemen, het gaat van Jules Deelder tot Ida Gerhardt, van Nel Benschop tot Rutger Kopland, van Joost van den Vondel tot Gerrit Pleiter. Smaken, niveaus, kleuren, en thema’s genoeg. Misschien is de verklaring heel simpel. We vinden een gedichtje op zijn tijd (Sinterklaas, Kerst) wel leuk, maar denken er niet aan om eens een bundel kopen of een wat moeilijker tekst te kraken. Als aankleding aardig, maar dat goede poëzie een functie kan hebben in de ontwikkeling van mensen, in de duiding van de tijd, en zelfs kan bijdragen aan een historische omwenteling, dat klinkt nogal verheven. En dat is het natuurlijk ook.

Het lijkt dus voor een klein groepje liefhebbers waarde te hebben. Ooit heb ik stenen in de vijver gegooid voor het aanstellen van een dorpsdichter in onze gemeente. Ik ontving wat begripvolle glimlachjes en bemoedigende knikjes, maar kreeg er de handen niet voor op elkaar. Wat volgt is dan berusting; iets wat niet leeft moet niet geforceerd worden. En toch blijf ik het een gemisje vinden. Wat is het mooi als een dorps- of stadsdichter enkele keren per jaar de lokale samenleving karakteriseert in een rake tekst. De elk jaar verschijnende bundeling van wat deze dichters in Nederland hebben gemaakt is daar een sterk en prachtig bewijs van. Over cultuur gesproken!

We mogen ook kritisch naar de dichters zelf kijken: zien zij wel kans om hun kunstige woord- en taalexpressies toegankelijk te houden? Een al te cryptische of vage tekst stoot de lezer af en wordt aan de kant gelegd. En waarom moet ik in een gedicht de (al dan niet verzonnen) ellende van de dichter zelf consumeren? Het mooist is het natuurlijk dat je bij het lezen van een gedicht kunt zeggen ‘hé, dit is nieuw voor mij, dat had ik nooit zo bekeken’. Of ‘dat is nou precies zoals ik dat ook voel, alleen kan ik het niet zo mooi onder woorden brengen’. Herkenning, ontroering, aversie tegen beschreven onrecht, en gedicht kan van alles losmaken.

Oké, genoeg erover. Omdat ik mezelf niet als een echte dichter beschouw kan ik zonder hete adem van recensenten in de nek onbeschroomd iets bijdragen. Bij dezen.

Dichter en drijfveer

zet een dichter bij een rietveld
en zijn verzen zullen ruisen
of nee zet hem onder bomen
en zijn zinnen zullen vallen

zet een dichter in een weiland
en zijn vergezichten grazen
zet hem zomaar aan het water
dan zal klateren zijn verhaal

zet een dichter aan relaties
en zijn woorden zullen breken
reik je als thema ware liefde aan
glipt de tekst hem door de vingers

laat hem naar de wolken kijken
dan wordt mild zijn poëzie
of plaats kinderen in zijn blikveld
dan houdt hij het niet lang droog

plaats je hem dicht bij een spoorlijn
raakt zijn boodschap snel ontspoord
maar zet hem niet aan zichzelf
dan breng je hem goed in nood

vraag je hem over de vrede
dan blijft lang zijn bladzij leeg
vraag je hem naar wie hij is
zwijgt hij, zucht, buigt dan het hoofd

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)